maandag 19 september 2011

Koffie

Het bureau waar Herman aan zat, maakte deel uit van een sobere, vierdelige kantoorunit. De werkplekken waren geplaatst tegenover elkaar en werden door lage schotten van elkaar gescheiden. Herman zat met zijn rug naar het raam.

Er lag niets op het bureaublad dan een toetsenbord, met daarop zijn handen, en een muis. Het toetsenbord was in geen maanden schoongemaakt, maar toch niet buitenmate vuil. Zijn handen waren klam en enigszins opgezet.


Nog een halfuur, dan kon hij koffie gaan drinken. Dertig minuten: een eeuwigheid zo eindeloos als de stroom cijfers op zijn platte beeldscherm.


De kantoorunit werd slechts gebruikt door twee personen. Alleen hij en Patrick zaten er vandaag te werken. Als hij zich niet bewoog, was Patrick niet te zien. De kolossale beeldschermen ontnamen Herman elke blik op zijn collega. Zolang hij niet bewoog, moest ook hij onzichtbaar zijn.


Het was stil. Patrick zocht vandaag geen conversatie. Ook het zwarte transistorradiootje in de vensterbank maakte geen geluid. Een paar dagen geleden was het zonder aanwijsbare oorzaak kapotgegaan. Er was niemand geweest die het had kunnen maken.


Herman keek weer naar zijn handen. Zijn nagels waren niet lang, maar ook niet erg kort. Nagelbijten deed hij met mate. Hij kon zich niet herinneren zijn nagels de afgelopen weken geknipt te hebben.


Enkele kantoorunits verderop liet een vrouw een scherpe en harde lach horen. Hij kon haar niet zien en niet met zekerheid zeggen wie het geweest was. Niemand reageerde.


Hij keek op zijn horloge. Nog twintig minuten.


Zijn rug deed pijn. Hij duwde zich dieper in de zitting van zijn bureaustoel. Waarschijnlijk had hij al geruime tijd in een verkeerde houding gezeten.


Patrick stond op en liep weg.


Herman greep naar het doosje in zijn broekzak en stak snel een pepermuntje in zijn mond. Het doosje liet hij weer in zijn zak glijden.


Hij staarde voor zich uit. De cursor op het beeldscherm verdeelde de tijd op bedroevend enthousiaste wijze: ook tijdens de pauze zou de cursor blijven knipperen. Een kwartier was nauwelijks genoeg voor een tweede keer koffie. Patrick kwam terug en nam weer plaats aan zijn bureau.


De bureaula was leeg op een perforator, een nietapparaat en een rekenmachine na. Herman schoof de la terug.


In de verte klonk opnieuw gelach. Herman veegde zijn klamme handen af aan zijn broek. Nog tien minuten. Als hij nu vast naar de wc ging, hoefde hij zo dadelijk niet met Patrick naar de kantine te lopen.



vrijdag 9 september 2011

De astroloog

Er was een feestje. Je werd uitgenodigd.
Het onderwerp stond prachtig (o verleiding:
Je zag het en je voelde je genodigd)
In hoofdletters geschreven: “onheilstijding”.

Cadeau vergeten. Als je het niet gedacht had.
Van de weeromstuit zakte ook de naam
Weg van de gastheer. Door een tuimelraam
Bekeek je sterren of je er de wacht had.

En roken maar. Totdat ten langen leste
De dj goddank de grammofoon stopzette.
Je wenste een wildvreemde het allerbeste.
Deed vlug een danspasje toen ze niet oplette.



zondag 4 september 2011

Laura IV

Laura draaide de badkamer op slot, trok in één ruk haar broek en broekje naar beneden en plofte neer op de plompe, met een fris hokjesmotief beschilderde wc-pot.

Niet zo charming, girl, zei ze tegen zichzelf, terwijl haar darmen zich ontlaadden in het klotsende toiletwater. Maar ja, ze had zich weer, truth be told, ongans gegeten aan de kerstkransjes vanmiddag. Feestelijk schijten, dacht ze en ze kreunde bij de gedachte aan de vijfgangenmaaltijd die ze vanavond plichtsgetrouw weer hadden weggewerkt. Gisteren bij Pieter ook al zo'n monster dinner. En dan de chocoladezooi waar zijn moeder om het kwartier mee aan kwam zetten. Of haar kont zo al niet dik genoeg was. Dat werd weer hardlopen in januari, in het Griftpark... Had ze best zin in trouwens. Ze begon te fluiten.

Voor de wastafel waste ze zich en bekeek haar welgevormde, halfnaakte profiel in de spiegel. Pieter bofte maar met zo'n vriendinnetje. De schat. Of schat, waarom eigenlijk was hij een schat? Hij zat in een bandje, dat was cool. Maar verder? Pieter was lief, maar... te nerveus. Of nee, te dun, dat was het. Ja, eigenlijk was ie te ielig, dat was het grote minpunt aan die jongen. Zijn kuiten waren, tja, ze waren er niet, als je eerlijk was. Geen lekkere klapkuiten, zeg maar. Ze hield van klapkuiten. Spieren waren sowieso een pre, als het op jongens aankwam. Maar nee, echt heel gespierd was ie niet, dat vriendje van haar. Meer een slungel, wat dan weer prima bij z'n imago paste als skaterboy, dat wel. Was ie trouwens niet wat te oud voor dat imago? Nog steeds, ook nu met kerst, had ie z'n haren uitgepunt tot spikes, een haarmodedingetje dat toch al jaren uit was. Ach, kon het haar ook rotten. 't Was toch niet voor de eeuwigheid, dat wat zij hadden. Wist ie zelf ook wel. Tenminste, dat hoopte ze dan maar. Laura droogde zich af.

Jep, ze zag er pico bello uit. Kon elke kekke jongen krijgen, en z'n vrienden erbij, als ze zou willen. Als ze maar lief waren.

Pieter was lief.

Ja, Pieter was lief.

Ze checkte haar iPhone of iemand nog iets geinigs had getweet op deze boring Tweede Kerstdag. Dacht aan een gekke tweet om te versturen – ze was een kei in gekke tweets versturen – maar wist even niks en bedacht toen opeens dat ze zich scheren zou vanavond, voor Pieter. Zich een beetje mooi maken voor haar lieve skatervriendje. Het was tenslotte kerst, ja toch niet dan? Een ronduit boring kerst maar goed, als het niet gezellig was, DAN moest je het zelf gezellig maken. Ze begon te gloeien bij de leuke inval die ze toch weer had – en wanneer had ze die niet – trok haar broek en broekje weer naar beneden, deed ze maar gelijk helemaal uit, en zocht toen in het wastafelkastje fluitend naar de ladyshave.

Haar sokken voelden lekker op de spekgladde tegelvloer en ze genoot. Ze had de CD-speler aangezet, die op de hoek stond van het ruime, art-deco ligbad dat haar ouders hadden, en door de badkamer klonk nu Madonna. 't Was een verzamelalbum, dat er nog in zat van toen ze thuis woonde en dat ze gekregen had, ooit, bij een van die superkersten lang geleden, toen ook haar zus nog thuis woonde en Kerstmis nog iets was om lang naar uit te kijken. Het album had ze gekregen van haar zus, bedacht ze opeens, er had nog een geinige surprise bij gezeten: een hele zooi verkleedkleren, zodat ze zich, als een kleine Madonna uitgedost, de longen uit het lijf gezongen had (en de lange benen, ja ja ze mocht er zijn, had moegedanst) op de muziek van haar geliefde teenage idol – Madonna was tijdloos: ze had nog een poster meegebracht naar 't studentenhuis, hing in de keuken boven de gaspitten, vet geworden van de kookluchten natuurlijk, omdat ze nog steeds geen fatsoenlijke afzuigkap gekocht hadden, de lamballen... En terwijl Papa don't preach tegen de glimmende wanden galmde werkte Laura, volwassen geworden inmiddels maar nog steeds een meisje, luidop zingend aan haar bikinilijn, net zolang tot er van een bikinilijn in eigenlijke zin in het geheel geen sprake meer was...

...wat was dat toch, met die kerstdagen tegenwoordig? Sinds haar zus op kamers woonde was de hele sfeer verdwenen – of zij het hoofdingrediënt was van de jaarlijkse gezelligheid, en alle smaak eruit was opgelost nu zij was uitgevlogen... Ze kwam haast nooit meer langs, zelfs niet met kerst, en Laura miste de saamhorigheid die altijd extra was geweest met zulke dagen. Met Jantine kon je tenminste nog een beetje lachen, lol maken in dit dode, met kunstzinnige parafernalia opgedirkte nieuwbouwhuisje... Van haar ouders kon je wat dat betrof ook niets verwachten. Haar moeder dacht alleen maar aan de maaltijden en haar vader, tja, haar vader. Begon een beetje een zuurpruim te worden de laatste jaren. Laura wist niet goed waarom dat was. Of ie een goede beurt miste ofzo... Haha, haar moeder en een goede beurt! Laura lachte hardop. Vanuit de gang hoorde ze Pieter roepen of de badkamer al vrij was en bouncend op het vette Don't tell me droogde ze voor de tweede maal die avond haar dikke, nu in langzame, ja ronduit trage cadans trillende billen af.

In bed dacht ze aan Oud en Nieuw, de lol die ze zou maken met vriendinnen, het kaartje dat nog gescoord moest worden, anders kwam je nergens in, zo ging dat. Ze dacht aan zingen in de kroeg, aan een optreden dat Marloes voor haar geregeld had bij Ledig Erf. Ze dacht aan oefenen, veel oefenen en dan gewoon optreden, het doen, het gewoon echt doen...Ze dacht aan de verslagen die ze nog moest afmaken voordat het nieuwe semester straks van start ging en er weer honderdduizend nieuwe dingen op de planning stonden. Ze dacht aan Pieter, aan z'n maffe kapsel, dat langzaam maar zeker compleet verwoest werd terwijl ze door zijn haren ging en rustig, toen steeds wilder meebewoog, in zijn schouder beet en hem met alle passie die nog nazong van de badkamer langzaam, langzaam en toen zeker weghielp naar een spetterend langdurig kerstorgasme.

En terwijl Pieter zijn zakken naging voor iets-te-hijsen-voor-na-de-seks, hoorde Laura hoe op de badkamer haar vader de voor eeuwig doorzingende Madonna uitzette en toen, met een doffe klik, het licht uitdeed.


zaterdag 3 september 2011

Goudvis

Je kocht een goudvis en een glazen kom,
Wat waterplanten en wat kiezelstenen,
En de verveling leek op slag verdwenen.
Je was tevreden. Ook je goudvis glom.

's Nachts lag je wakker en wist niet waarom.
Maar viel je toch in slaap, dan sliep je diep,
En droomde van gebrul en van gegrom,
Van krijsend gillen en van hees gepiep.

Bezweet werd je weer wakker en je liep,
Als in een droom, recht op je goudvis af.
Hij lag er vredig bij, als in een graf.
Doodstil. Hij leek te wachten tot je sliep.



donderdag 1 september 2011

Bijstandstrekker

Hoeveel bijstandstrekkers kent u? Ik gok niet veel. Mensen op het laagste maatschappelijke level kent u uit de krant, of uit de buurt, maar verder komt u niet. Andere vraag: hoeveel psychose-patiënten kent u? Ik wed maar weinig. Psychose, u kent het woord, u kent het van de verrekijk, wellicht, en daar blijft het bij. Maar dan: hoeveel bijstandstrekkers kent u, die uit de eerste hand weten wat een psychose is, en die bovendien op zoek zijn naar een uitvergrote foto van Hans Wiegel en Frits Bolkestein voor in de huiskamer? Wederom een gok: ik gok niet een.

Ik ben een bijstandstrekker. Dat zit zo (in drie zinnen): nog geen vier maanden geleden studeerde ik in Leiden, had een tamelijk veelbelovende toekomst, een gezonde afkeer van steuntrekkers en werkte aan een iets te ambitieuze masterscriptie; drie maanden geleden was die masterscriptie geïmplodeerd en werd ik, als door een valwind op een zomernamiddag, plotseling overvallen door een psychose die mij nog steeds fulltime aan de medicijnen (godzijdank, overigens, voor medicijnen) heeft en hoe; één maand geleden was ik opeens ernstig ziek geweest, had mijn leven een 180 gemaakt en moest ik voortaan verheugd zijn met een karig enkeltje uitkering en een toekomst die voor alles tamelijk onzeker is. Driewerf klote, zeg maar. Welkom aan de andere kant, dames en heren…

…denk aan uw grondig doorgelichte bagage (BSN + in te leveren bankafschriften = leven) bij het uitstappen en vergeet niet uit te checken – een auto kan ik voorlopig wel op m’n buik schrijven natuurlijk…

Ik ben dus bijstandstrekker. En ik ben VVD-stemmer. Of die twee überhaupt te combineren zijn is even afwachten – tot Griekenland dusdanig naar de klote is dat de PVV voluit kan tweaken met die coalitiestekker – maar tot nu toe huldigde ik het ijzersterke, aloude wie-niet-werkt-die-niet-eet-principe, en werd daarenboven niet moe dat ook te pas en te onpas te verkondigen, jawel…

…wie de bal kaatst, kan een klap verwachten…

Ik ben geen bemiddeld man. Ik heb geen bezitting die noemenswaardig zijn. Ik heb een computer en een smartphone, een boekenverzameling en een bed en daar houdt het wel zo’n beetje op. Ik was altijd gewend om rond te komen van de stufi. Uiteraard had ik een maximale lening – ik zou het de samenleving allemaal dik terugbetalen zodra ik dat vermaledijde papiertje had – dus ik had maandelijks genoeg money to burn – overigens nog bedankt daarvoor. Standaard shoppen bij de Albert Heijn, dat werk. Het beviel me allemaal uitstekend…

Dat is nu anders: Aldi-bezoek is een serieuze optie geworden en nu ik rook (ik rook weer sinds de ziekenhuisopname – een goede vriendin die geneeskunde studeert kwam met de wijze opmerking dat er maar weinigen van de psychiatrische afdeling afkomen die het laten kunnen…) merk ik steeds vaker dat het hijsgenot wordt gefrustreerd door dat geniepige vraagje: kan ik het wel betalen, eigenlijk? Waarschijnlijk niet.

…u moest eens weten hoeveel commentaar ik had, vroeger, op die eeuwige bijstandstrekkers met hun onafscheidelijke pakje shag… Mooi was die tijd, jawel…

Dus hier sta ik dan, terug op de rails, maar op een spoor dat feitelijk nergens heen gaat. Verder studeren wordt mij afgeraden vanwege herhalingsgevaar (een psychose is niet iets dat je graag herhaalt, en na één terugval kun je verder studeren sowieso wel vergeten…) dus ik ga, met enkel vaardigheden in de aanbieding en een medische “geschiedenis”, hup de arbeidsmarkt op. Volgende week het eerste serieuze gesprek met mijn gemeente-consulent, ja ja. Ik weet al wat een jaar lang om kwart voor vijf opstaan inhoudt, om je vervolgens een dag lang in het zweet te werken in het beruchte magazijn van Albert (u weet wel, waar u de boodschapjes bestelt, zo in de loop van de 9 tot 5… handig hoor…) en die gratis fitness heb ik wel gezien inmiddels, dankuwel. Maar ik verwacht, zonder dat ooit zo vanzelfsprekende papiertje, de komende jaren ook geen CEO-aanbiedingen, dat spreekt…

…ik mag dan geen papiertje hebben, ik ga ze niet prikken ook niet. Dan maar de administratie in… Desnoods bij de belastingdienst…

Mijn enige strohalm is dan schrijven. Net als miljoenen andere Nederlanders met een manuscript in de la hoop ik een dezer dagen eindelijk door te breken. Maar: ik heb na die psychose geen zin meer om een uitgever achterna te zitten. Die mag wel naar mij toe komen: luie bijstandstrekker die ik ben, plemp ik dat manuscript, beetje bij teasend beetje, gewoon online, en wel op deze blogspot – komt dat zien, mensen, gratis literatuur, dan leest u ook eens wat…

…check ook NurksMagazine.nl – de New Yorker van de Lage Landen, jawel – op Spek en Bonen. U heeft al betaalt, moet u maar denken…

Zolang ik nog kan schrijven, kan ik mezelf wijsmaken dat ik niet de zoveelste kansarme bijstandstrekker ben. Althans, dat hoop je dan. Bijstand is € 659,93 in de maand, inclusief vakantiegeld.

Tot zover. Bedankt voor uw aandacht. De volgende keer meer over het beruchte uitkeringstraject. Tot die tijd houd ik mij aanbevolen voor een mooie foto van de voorvechters van de beruchte versobering ervan – een beetje een goedkope, dank u.

Belastingbetaler.


Genade

Geef mij een kat om te aaien, een huis
Om te wonen en dagen te over om alles
Te doen wat ik wil.

Geef mij een dag om te leven, een kluis
Om te legen en ogen geopend om alles
Te zien wat ik wil.

Een lief te behagen en nooit meer te klagen,
Een dag in de lente en alles mag wennen
Zolang jij maar naast me ligt, stil.

Of juist in beweging, je haren een golving
En alles gaat zoals in films.

Geef mij maar een dag, één dag en geloof me
Een dag is al bijna te veel.

Want alles mag wennen, wat zou het, bedrogen
Wordt iedereen toch wel. Ik wil

De liefde bezingen,
Een uurtje beminnen,

Je woorden geloven,
De zon in je ogen,

Verdomme, ik wil
al te veel…


De visser

Het was later dan normaal toen Peter zijn huis verliet voor zijn gebruikelijke wandeling naar de IJssel. In gedachten verzonken volgde hij de vaste route, een vergeten fietspad dat gedeeltelijk parallel liep aan de rivier en na een paar honderd meter weer afboog naar de uiterwaarden. Al snel bereikte hij het water.

De hemel was bewolkt en de enkele zonnestralen die nog wisten te ontsnappen, waren te mager om Peter te kunnen verwarmen. Hij was stil blijven staan en rilde nu, terwijl hij uitkeek over de rivier. Zijn lege ogen volgden een machtig vrachtschip, dat langzaam van hem afdreef.

Reusachtige waterkolken deden hem huiveren. De deining die het schip veroorzaakt had, leek een ogenblik de hele rivier te beheersen, maar nam al snel weer af. Toen de golven helemaal verdwenen waren, merkte Peter opeens dat hij niet de enige was die naar het water stond te kijken. Een eindje verderop bleek nog iemand te staan. Een visser.

‘Wat een schip, hè?’

De visser had hem blijkbaar ook opgemerkt.

‘Ja! Gigantisch!’

Peter liep naar hem toe. Van een afstand staan blijven schreeuwen, vond hij onbeleefd.

‘Al wat gevangen?’

De visser keek uit over het water en negeerde zijn vraag. Hij had een grijze stoppelbaard en ingevallen wangen. Hij droeg versleten kleren. Peter wilde zijn vraag herhalen, toen de man zich plotseling naar hem omdraaide en zei:

‘Jij dacht zeker dat Jezus Christus een visser was?’

Hij keek Peter even bedroefd aan en draaide zich toen weer naar het water.

‘Pardon? Dat Jezus Christus een visser was? Wat, wat bedoelt u precies?’

Stilte.

‘Jezus was toch ook een visser?’

Stilte.

Was deze man wel helemaal honderd procent? Peter begon zich nu opeens erg ongemakkelijk te voelen. Zijn handen werden klam, en het leek alsof het water weer langzaam begon te deinen. Het bleef stil.

Juist op het moment dat Peter besloten had om weg te lopen, en aarzelend een stap achteruit zette, zei de man, zonder hem aan te kijken:

‘Jezus was geen visser. Jezus was een masochist.’

Peter versteende. Hij wilde wat zeggen, maar zijn mond was plotseling zo droog, dat hij eerst een paar keer moest slikken voordat hij iets kon uitbrengen. Ook voelde hij zich nu duizelig worden. Wat was er toch aan de hand? Het leek verdomme wel of hij ging flauwvallen.

‘Waar heeft u het over? Jezus een masochist? Ik begrijp niet goed wat u bedoelt.’

‘Een masochist, je weet toch wel wat dat is? Een masochist is iemand die geniet van vernedering en pijn. Laat je niets wijsmaken, Jezus Christus genoot gewoon van pijn.’

De visser staarde nog altijd naar het water. Het leek wel alsof Peters aanwezigheid hem in het geheel niet interesseerde. Gespannen bleef Peter naar hem kijken, maar de man zei geen woord meer. Hij leek te zijn uitgepraat.

‘Ik, ik weet niet zo goed waarom u mij dit vertelt, maar u zou best eens gelijk kunnen hebben. Jezus een masochist, ja, dat is een heel aardige theorie.’

Stilte.

‘Heeft u dat zelf bedacht?’

Stilte.

Wat moest hij nu doen? Die man was niet goed in orde, dat was duidelijk. Hij kon maar beter gewoon weggaan. Voorzichtig liep hij terug naar het fietspad, hij was nog steeds erg duizelig. Toen hij zich een laatste maal omdraaide, stond de visser nog steeds naar het water te staren.

Met moeite vervolgde Peter zijn wandeling. Pas toen hij weer thuis was, voelde hij zich wat beter.

De dag liep ten einde. Peter bekeek zichzelf in de spiegel. Waarom kon Jezus niet masochist en visser tegelijk zijn geweest? Dat had hij natuurlijk aan die man moeten vragen! Maar dit was waanzin, die idiote visser was niet goed bij zijn hoofd. Krankzinnig, gewoon krankzinnig.

’s Nachts kon hij niet slapen. Met grote ogen staarde hij in het duister en bleef maar denken aan de visser. ‘Laat je niets wijsmaken’, dat had hij gezegd. Jezus een masochist, het klonk eigenlijk heel aannemelijk. Die man was natuurlijk gek, maar dat wilde niet zeggen dat wat hij zei niet waar kon zijn. Waarom zou het niet waar kunnen zijn? Waar maakte hij zich druk om?

De volgende ochtend wist hij hoe het zat. Hij voelde zich goed en keek uit het raam. Het waaide, hij moest naar buiten. Zonder jas en zonder schoenen verliet hij zijn huis. Hij zou zich nooit meer iets laten wijsmaken.

Hoewel de visser geen enkel spoor had achtergelaten, herkende Peter de plek meteen. Opnieuw maakte een duizelig gevoel zich van hem meester, terwijl hij ging staan waar de visser had gestaan en naar het water staarde, zoals de visser naar het water had gestaard. De wind rukte aan zijn kleren. Hij huiverde.

Langzaam begon het water weer te deinen voor zijn ogen, toen hij in de verte een reusachtig vrachtschip aan zag komen, hetzelfde als de vorige dag. Het schip deed het water golven en de golven rolden één voor één richting de kant. Peter deed een stap naar voren.

De wind suisde in zijn oren en alles leek nu te deinen en te golven. Het schip was zo dichtbij, dat hij meende het te kunnen aanraken. Hij kon het aanraken. Hij zou het aanraken. Hij liet zich niets meer wijsmaken.

En terwijl de wereld donker werd en de golven één voor één op de kant rolden, dacht Peter aan de visser en liep langzaam het water in.

Het vogeltje

Het gazon glansde of het zomer was. Maar het was winter.

Vogels bijvoeren in de winter is onverstandig. Daar worden ze lui van. Of dik. Of zoiets. Ik voerde dus vogels bij in de winter. Opstandig. Maar ook alleen.

Vanaf de kamerbank, die ik met veel pijn en moeite voor het raam geschoven had, observeerde ik mijn achtertuin. De telefoon stond uit en de verrekijker lag binnen handbereik. Om niet te veel op te vallen had ik mij geheel ontkleed.

De opkomst liet te wensen over. Zou ik nog wat vetbollen ophangen? Moest ik misschien meer geduld hebben? De eeuwige vragen des levens begonnen zich bijtend aan mij op te dringen. Wanhopig greep ik naar mijn kopje thee.

En toen gebeurde het. Ik raapte iets op van de vloer, wilde mij weer oprichten, toen ik - als in een verhaal - een harde tik hoorde. Verschrikt keek ik op. Er was een vogel tegen het raam gevlogen! Nu ging het beginnen.

Het vogeltje zat ineengedoken op de terrastegels. Het was gewond, dat was duidelijk. Op blote voeten sloop ik dichterbij. Ja, geen twijfel mogelijk, het beestje was er zeer ernstig aan toe.

Voorzichtig pakte ik het vogeltje op en met twee handen hield ik het vast. Mijn palmen sloten zich om het warme, trillende lijfje. Ik drukte het beestje aan mijn borst en bekeek mijzelf in het raam. Een naakte jongen met een stervend vogeltje in zijn handen. Zou ik de buurvrouw weer roepen?

Terwijl ik mij afvroeg of de buurvrouw vandaag wel thuis was, begon het vogeltje opeens luid te piepen en heftig te spartelen. Van schrik liet ik het uit mijn handen vallen. Het vogeltje aarzelde geen moment en hipte vlug de tuin in.

Wat een teleurstelling! Het was alleen maar een beetje versuft geweest. Nu zou ik het niet meer kunnen verzorgen. Of misschien toch.

Al snel had ik het vogeltje weer te pakken. Het piepte nu nog luider, maar ik hield het met één hand stevig vast. Er kon niets meer misgaan. Ik rilde van geluk. En ook een beetje van de kou.

Even twijfelde ik. Kon ik eigenlijk wel voor zo’n klein vogeltje zorgen? Het zou niet gemakkelijk zijn. Maar toch, dat snaveltje, die veertjes, misschien viel er wel een pootje te spalken. Ja, het was het beste, ook voor het beestje zelf. En was het niet bijna natuurlijk? Ja, ik moest het doen. Kordaat deed ik een stap naar achteren en gooide het vogeltje toen met een krachtige, maar toch beheerste worp tegen het raam.

Het raam trilde nog na van de klap. Misschien had ik toch iets te hard gegooid. Het vogeltje bleef piepen, maar zachter nu. Het lag op zijn zij en leek niet meer overeind te kunnen komen. Ik raapte het op.

Het leek er slecht aan toe te zijn. Ik plukte aan één van de vleugeltjes, maar er volgde geen reactie. Dit was niet de bedoeling. Het vogeltje was veel te ernstig gewond! Ik rilde opnieuw. Wat moest ik nu doen? Verzorgen leek geen optie meer. Alles was verpest.

Het piepen was nu opgehouden, maar het bruine snaveltje bleef openstaan. Er liep bloed uit. Toch keek het vogeltje nog alert uit zijn ogen. Het leefde, maar het leed ondraaglijk, dat wist ik. Ik moest het helpen.

Eén krachtige tik zou voldoende zijn. Eén harde tik op het hoofdje en het was afgelopen. Maar waarmee? Ik keek om mij heen, maar zag nergens een voorwerp liggen dat geschikt was. Het hoofdje dan maar kapotslaan tegen de muur? Nee, dat was cru. Het moest wel zonder pijn gebeuren. Maar natuurlijk! Ik wist het!

Ik had het vogeltje op het gazon gelegd en sloeg nu zo hard als ik kon met de vetbol op het hoofdje, terwijl ik met mijn andere hand het lijfje tegen de grond drukte. Maar ook na een paar keer slaan bleef het bewegen. Meer bloed, dat was het enige effect. Het beestje begon zelfs weer te piepen.

De vijver. Dat zou zeker werken. Op mijn knieën stak ik het halfdode vogeltje zo diep mogelijk in het water. Direct maakte een vlijmende pijn zich meester van mijn arm. Het water was ijskoud. Maar wat gebeuren moest, moest gebeuren. Ik bukte mij nog verder voorover en stak mijn arm nu tot aan mijn schouder in het water.

Een koude windvlaag streek langs mijn benen. Ik voelde dat ik een erectie kreeg. Zou het vogeltje al dood zijn? Ik trok mijn arm uit het water en stond op. Het leefde nog steeds! Hoe was dit mogelijk?

Nu begon ik er genoeg van te krijgen. Ik liep terug naar het raam en bekeek mijzelf opnieuw. Geen fraai gezicht. De buurvrouw mocht wel wegblijven. Het doorweekte vogeltje piepte niet langer, maar maakte een zacht gorgelend geluid. Bellen bloed ontsnapten zijn snaveltje.

Geërgerd legde ik het vogeltje weer terug op de plek waar ik het de eerste keer gevonden had. Blijkbaar wilde het verzorgd noch geholpen worden. Uitstekend. Ik zat er niet mee. Met trillende lip liep ik terug naar binnen. De thee zou onderhand ook wel koud geworden zijn.


Overigens zonder porno

Uit medelijden met zijn impotentie voorzag de samenleving de jongeman maandelijks van een vaste toelage. Dit geld werd automatisch bijgeschreven op zijn bankrekening, hoewel hij nooit een aanvraag had ingediend of zelfs maar een rekeningnummer had doorgegeven. Het was genoeg voor zijn kamerhuur en zijn wekelijkse boodschappen bij de supermarkt, en wat hij overhield, spaarde hij, van zins al het ontvangen geld op een dag weer terug te geven. Voortdurend was de jongeman zich bewust van de uitzichtloosheid van dit voornemen.

*

Om zoveel mogelijk te kunnen sparen, was hij eraan gehouden oppassend en sober te leven. Hij besteedde geen geld aan kleding, cadeautjes of verenigingen, of zelfs maar aan een losse avondkrant. Een eigen computer was eenvoudigweg ondenkbaar, en wilde hij bijvoorbeeld op het internet, dan gebruikte hij daarvoor de wijkbibliotheek, waar je als impotente gratis kon internetten, zij het niet langer dan een halfuur per dag en met uitsluiting van bezoek aan pornografische en andere aanstootgevende websites, - voor een impotente geen verbod zonder betekenis. Wilde je langer, dan moest je betalen, overigens zonder daarmee het recht te verwerven ook te kunnen rondneuzen naar porno.

Boeken en tijdschriften waren in deze bibliotheek, zoals in alle openbare bibliotheken, door iedereen kosteloos in te zien. Er stonden tafels en banken op uitgestorven verdiepingen waar je je achter gecamoufleerde, houten schotten kon verbergen om ze te lezen. Aan deze tafels en op deze banken sleet de jongeman zijn dagen.

*

Op een middag zat hij doelloos achter een van de vele bibliotheekcomputers, toen hij op een interessante, nieuwe website stuitte. Het was een site over zwart-witfilms waarvan het copyright inmiddels was verlopen en die zodoende legaal online waren gezet, voor iedereen met een snelle internetverbinding voortaan gratis te bewonderen. Er waren inmiddels enkele films beschikbaar gemaakt, en zonder erbij na te denken, klikte de jongeman een titel aan. Er verscheen een pop-up en meteen begon de videosoftware met het bufferen van informatie. Geduldig staarde de jongeman naar het zwarte balkje dat vanaf de linkerkant zeer langzaam, aanvankelijk onzichtbaar, maar toen toch ook onmiskenbaar wit begon te worden. Maar toen de zwart-witfilm volgens het onderschrift nog maar voor twee procent gedownload was in het geheugen van de computer, was zijn halfuur gratis internet al opgebruikt, en de verbinding werd verbroken.

Maar de gedachte een complete film te kunnen zien, al was het dan een zwart-witfilm, zonder daarvoor iets te moeten uitgeven van zijn maandelijkse toelage, had zich op dat moment reeds als een ziektekiem in zijn hoofd genesteld.

*

De volgende dag nam hij ‘s ochtends meteen na binnenkomst al plaats achter een internetcomputer en zocht de website op met gratis films. Hij was zo opgewekt het gebouw binnengelopen, dat veel bibliotheekmedewerkers hem tegelijkertijd voor het eerst volkomen herkenden als vaste bezoeker alsook vaststelden dat hij zich vandaag anders gedroeg dan zij normaliter gewend waren.

Het bufferen van de beeld- en geluidsinformatie leek in eerste instantie nog langzamer te gaan dan gisteren. Gespannen concentreerde hij zich op het zwarte balkje, er wel voor wakend de downloadsnelheid niet af te remmen door andere websites te openen, - iets waartoe hij overigens nog geen behoefte voelde, maar een impuls was uiteraard zo uitgevoerd, vooral voor een impotente. Plotseling verscheen er tekst in beeld. Het was de naam van de website, gevolgd door een paar regels over het copyright, gevolgd door het ouderwetse teken van een productiemaatschappij. De zwart-witfilm was begonnen.

*

Blijkbaar, bedacht de jongeman nu, kon de software tegelijktijd zowel downloaden als afspelen. Wel moest er eerst informatie worden gebufferd, maar toch niet veel, en op deze wijze kon hij ongeveer twintig minuten film zien per halfuur internet. Hij ontdekte dat het downloaden ook later gestart kon worden, iedere dag kon hij beginnen waar hij de vorige keer geëindigd was, en na een week voltooide hij het bekijken van zijn eerste gratis speelfilm. Nog in hetzelfde halfuur begon hij aan zijn volgende.

Zo gingen maanden voorbij. Wanneer hij zich niet ophield met het bekijken van een film, het grootste gedeelte dus van zijn tijd, verzamelde hij de boeken en tijdschriften over films die op dat moment in de bibliotheek aanwezig waren, en het duurde dan ook niet lang eer medewerkers raadden naar zijn ambitie. De houten schotten waarachter hij zich terugtrok, konden ten slotte niet verbergen dat de jongeman veranderde, en eens tijdens een werkoverleg werd zijn geval uit-en-te-na besproken.

*

Intussen werden er aan de website wekelijks nieuwe zwart-witfilms toegevoegd, soms meerdere ineens, maar de jongeman zat nooit langer dan een halfuur per dag achter het internet. Niet dat hij zijn toelage niet in films had willen investeren, maar zijn aandacht was inmiddels verschoven van filmkijken naar lezen over films, en zodoende naar het zelf schrijven en maken ervan. Op de banken waarop hij vroeger zijn uren had verbeuzeld met kranten en stripalbums, lagen nu boeken over belichtingstechniek, de tafels waaraan hij dagen had geslapen, waren bezaaid met tientallen, honderden volgeschreven vellen kladpapier.

Op een dag werd hem meegedeeld dat de openbare bibliotheek de jongemans ambitie niet langer dulden kon, en toen hij de straat op stapte, hield hij onder zijn armen de uitgewerkte scenario’s geklemd voor ten minste vijf lange speelfilms.

*

Bij een pinautomaat zag hij dat er vandaag toch weer een maandelijkse toelage was bijgeschreven, die bovendien verhoogd was ten opzichte van zijn oude toelages, wat hem verbaasde. Maar nu het lot zich eindelijk ten voordele van hem gekeerd had, kon zoiets natuurlijk alleen maar worden opgevat als aansporing. Hij liep de bank in, nam aan de balie al zijn geld op, inclusief de zojuist gestorte toelage, en begaf zich naar een winkel voor elektronica, om daar de duurste filmcamera te kopen die men voorradig had.

*

Maar de eerste winkel die hij inliep, bleek in het geheel geen professionele camera’s te hebben uitgestald. Ook de volgende winkel verkocht geen professionele camera’s. Verkopers die hij sprak, hingen verhalen op over het bankroet van de filmindustrie, en dat alles tegenwoordig door het internet werd uitgehold. Cinema, zei men, cinema, daar was geen markt meer voor.

Hij bleef zoeken, de jongeman, tot het laatste vel papier onder zijn armen was weggewaaid, maar geen winkel was ertoe in staat hem te verlossen van zijn meegebrachte spaargeld.


Eén voor één

Belde met God maar ik had geen bereik
Vanaf de schimmelende ansichtkaart die
Opgeprikt was tussen andere ansichtkaarten.
Die ansichtkaarten zeker die
Mij aanstaren, verbluft, mij haten,

Haten zullen als ik één voor één
Hun ogen uit de kassen kerf
En zachtjes zing:
Gezwel gezwemel,
Als
ik
sterf
bitches
sterf
ik
wel
in
de
hemel.



Contact

Er heerst vannacht een doodse stilte in de supermarkt.
Alle winkelwagentjes zijn uit het oog verdwenen.
Over de groenteafdeling is geen beweging.
Lopende banden corresponderen in leegte.

De enige aanwezig is het kassameisje
Dat schijnbaar roerloos onder het systeemplafond
Getallen afleest van een kassabon.

Toch klappertandt ze en haar handen beven.


Herhaling

Het is de slinger van foucault het is
De lof der simpelheid
Het is het russisch blauw
Het russisch blauw
Het is het onuitsprekelijke
blauw. De wind die langzaam
alles alles meevoert

Het is herhaling en het is
geen mens

Geen mens loopt nu op straat. Alleen de wind
Beweegt de bomen voor de huizenrij
En voert je ogen verder naar het kind,
Dat roerloos in het open raam verschijnt.

Het is een meisje, maar ze lijkt van steen.
Alleen het lange nachthemd dat ze draagt
Beweegt. De kamer achter haar licht op
En rook ontsnapt en kringelt om haar heen.

Pas als ze langzaam vlam vat, kijkt ze op.
Haar ogen gillen, brandend blijft ze staan.
Ten slotte is ze een verkoolde pop
Wanneer ze zich voorover vallen laat.

Je staat op. Trekt het gordijn weer op zijn plaats.
Vijf over twaalf. Ze waren laat vandaag.


Laura

I

Na het dessert hervatte oom Frank zijn tirade tegen de tijden. Tante Rea had uit het niets haar digitale camera tevoorschijn getoverd, teken dat het kerstdiner nu echt was afgelopen.

Terwijl Laura’s vader zich, murw van de maaltijd en de rode wijn, onder het constante gekanker van zijn zwager gedwee naar zijn eigen woonkamer liet voeren, zijn glas achterover slaand of hij zich hierdoor, zonder nog enige strijd te hoeven leveren, al bij voorbaat gewonnen zou kunnen geven, zette Laura’s moeder zich schrap voor de zoveelste pronkserie van haar nieuwe achterneefje. Haar zus Rea was deze zomer oma geworden. Zij nam iedere gelegenheid te baat om fotootjes te tonen van haar kleinzoon.

Soms leek het wel alsof ze dacht dat het haar eigen kindje was. Alsof het geen foto’s waren die verschenen in het kleine venster achter op de camera, maar het kleinkind zelf. Alsof ze dacht dat dat kleinkind, een klein kind immers, niet twee generaties van haar verwijderd was – maar één dimensie. Ja, soms leek het wel of ze geloofde dat dat kindje in haar camera geboren was.

Om niet de hele avond haar geobsedeerde zus te hoeven aanhoren, stelde Laura’s moeder voor om bij de mannen te gaan zitten in de woonkamer.

De afwas was vanavond voor Laura en Pieter.


II

Vanuit de kamer klonk nog steeds de stem van tante Rea. De televisie was aangezet en Pieter kon de mannen niet meer horen. Maar het getik van hakken op de parketvloer zal wel overal bovenuit klinken, dacht hij.

Laura deed de afwas en hij droogde af. Voor feestdagen hadden ze bij Laura een speciaal servies. Het was handgemaakt en gemerkt met een onleesbaar teken. Pieter bekeek het teken op de onderkant van een grote schaal, zette de schaal toen op de keukentafel. Hij zou het allemaal wel in de vitrine zetten als het bezoek verdwenen was.

Geleidelijk aan raakte de keukentafel vol: zowat alle delen van het servies hadden ze bij het diner gebruikt. Laura’s moeder had uitdrukkelijk verboden de vaatwasser te gebruiken, zodat alles met de hand moest worden afgewassen. Bord voor bord, opdat het servies zichzelf niet zou verminken in de afwasbak. Zij verzamelde antiek en kon jaartallen en anekdotes zien in bijna alle handgeschilderde merktekens. Nietsbetekenend voor Pieter, maar God verhoedde dat ze ooit door een machine werden uitgewist.

Laura droeg vanavond haar strakke spijkerbroek. Tijdens het afdrogen bekeek hij zijn vriendin langdurig in het grote serreraam. Hij probeerde zich te herinneren wanneer ze voor het laatst ongesteld was geweest. Ze deed afstandelijk, maar dat was misschien inbeelding. Hij verzekerde zich ervan dat ze via het serreraam niet te zien waren in de woonkamer, zoals hij altijd deed wanneer ze samen in de keuken stonden, zette nog een bord op de stapel en drukte zich toen tegen haar volle billen. Zachtjes kuste hij haar slapen, terwijl hij aan weerszijden van haar heupen met zijn handen aan het aanrecht trok.

Maar toen ze niet ophield met afwassen en hij meende de rand van het aanrecht te kunnen voelen, dwars door haar stoïcijnse bekken heen, stopte hij en ging weer afdrogen.


III

Elfriede en Rea zaten nog steeds gebogen over de digitale camera. Ze hadden hun stemmen gedempt en fluisterden om de tv-kijkers niet al te veel tot last te zijn.

Maar ten minste één van de tv-kijkers was intussen al zo goed als gek gefluisterd.

Laura’s vader draaide zijn hoofd en bekeek zijn dikke vrouw en haar dikke zus op de bank en dacht: niets. Ik heb niets. Alweer een kerst maar ik heb niets gekregen, niets.

Hij staarde weer naar de televisie. Frank, zijn zwager, die vakkundig de afstandsbediening hanteerde en al zappende een geile clip had opgedolven zapte verder, zij het niet, uiteraard, alvorens hij daar precies één achteloos vakkundige seconde mee gewacht had.

Zijn zwager: vond Pim Fortuyn een populist toen Pim Fortuyn nog leefde, vond Geert Wilders eigenlijk goed beschouwd eigenlijk de nieuwe Thorbecke, maar dan precies het tegenovergestelde, als je begreep wat hij bedoelde, had de facto in de jaren negentig de neergang van het CDA voorzegd, “haatte” de PvdA, haatte sowieso alle moralisme, zogenaamd, en had ook overigens vaak het idee dat hij altijd gelijk had.

Laura’s vader dacht: ik sta gewoon op, ik sta gewoon op en dan doe ik het. Ik loop ernaartoe en ik pak die flatscreen met twee handen vast en er is niemand die kan doorhebben wat er gebeuren gaat. Ik sta gewoon op, ik pak die flatscreen en ik wacht net zo lang tot Frank voor de zoveelduizendste keer zogenaamd per ongeluk porno gevonden heeft, en dan klap ik die randdebiel, net als hij doorzapt, zo hard op zijn hoofd dat ik zijn schedel breek.



Transformatie

Vreemd gezicht: een wachtkamer vol zwijgende journalisten. Op blote voeten.

Ik heb alle tijdschriften al doorgebladerd en loer naar de tenen van de jonge fotografe naast me. De zoemer gaat. Een oude man staat op.

Achter me het geluid van honderdduizend kermende collega-journalisten, wanhopig zoekend naar een opening. Het schrapen van hun nagels over de gesloten tempelmuren.

De fotografe lacht. Haar teennagels zijn roze en glimmend, als lipgloss.

Na de oude man is het mijn beurt. Vast iemand van de radio, denk ik, terwijl ik door de tempelgangen loop. Na enige tijd bereik ik twee hoge, openstaande deuren, waarachter zich een met schaduwen getekende ruimte bevindt. Nog steeds hoorbaar: het nagelschrapen van de journalisten.

Maar zodra de deuren gesloten zijn, is het net of dat geluid alleen was ingebeeld.

Ik overhandig de rijzige priesteres bij het haardvuur mijn blocnote en pen. Met een fluistering werpt ze mijn oude broodwinning in de sluimerende vlammen. Als het vuur oplaait, komen heel even de verkoolde resten van een camera tevoorschijn.

Wat zou de radioman hier hebben afgestaan?

*

Het gejuich is oorverdovend als ik weer buiten sta. Met twee handen boven mijn ogen blijf ik bovenaan de trappen staan en kijk uit over een mensenmassa die geen einde heeft.

In de diepte zie ik de radioman zijn eerste televisieploeg te woord staan.

Glinsterend als een kristal in de flitsen van talloze camera’s.


Er tikken vrouwenhakken overal,

Bejaarde mannen hoesten het verval

Van alle dingen, alle dingen al.





Hoge woontorens in het groen

Bertje bekeek de muren van mijn naakte woonkamer alsof hij de tijd doodde in een museum voor moderne kunst. Nonchalant bewogen zijn krijtwitte, fonkelnieuwe sportschoenen zich over het stroeve beton. Het beton: een zee van grijs die vanmiddag bij het afbreken van het parket onstuitbaar was opgeweld en zich inmiddels uitstrekte over het hele appartement.

Hoe vreemd je te bedenken dat dat beton altijd aanwezig was geweest. Dat het daar al die tijd lijdzaam had liggen wachten, zwijgend, onder het strakke oppervlak van mijn parketvloer. De teruggevonden maten en schetsen van mijn eerste inrichting had ik uiteindelijk met sodapoeder kunnen wegschrobben.

Bertje telefoneerde. Zijn hoge, onechte lach galmde door het appartement. Hij telefoneerde al de hele dag. Hij was het type homo dat de natuurlijke drager was van trends in kleding en schoenen als vrouwen, of puberkinderen. Zijn nieuwe sportschoenen waren niet gewoon nieuw, ze waren ingevlogen uit de VS. Weken eerder binnen dan de schoenenwinkel. Bertje was een kleine, gezette veertiger. Tenminste, dat meende ik. Eigenlijk wist ik niet precies hoe oud hij was.

Ik keek naar de sportschoenen en vervolgens naar mijn eigen, nietszeggende, linnen schoenen. Bertje telefoneerde maar. Hij had misschien geen vinger uitgestoken vandaag, hij was toch maar de enige in deze stad die hier nog steeds langs durfde te komen.

Ik keek naar mijn naakte woonkamer en vroeg me af waar we vanavond konden eten.

*

Mijn appartement bevond zich in een van de oudste flatgebouwen van het land, in een wijk die ooit door mensen vooruitstrevend was genoemd. Een modelstadje van hoge woontorens in het groen, licht en lucht voor de arbeider en zijn gezin, gemeenschappelijke ruimten op de begane grond, het autoverkeer door een indrukwekkend stelsel van viaducten gescheiden van voetgangers en fietsers. Een wijk op de geschriften van Le Corbusier zelf gefundeerd, slecht gefundeerd dus, en door de derde generatie bewoners al ervaren als een getto. Ikzelf had altijd genoeg gehad aan de rechtstreekse treinverbinding met het centrum.

Tot vorige week, toen ik te horen kreeg dat mijn onderzoeksvoorstel toch nog was goedgekeurd. Morgenochtend vertrok mijn vliegtuig. De beschikbare campuskamers op de foto’s waren allemaal onverbiddelijk gemeubileerd geweest.

*

“Accu dood.” Bertje staarde naar zijn telefoon, deed een poging het toestel te openen, stak het toen luid zuchtend in de binnenzak van zijn colbert. Plotseling gehaast pakte hij mijn bureaustoel, de laatste fatsoenlijke stoel in de kamer, en ging bij het raam zitten, zijn nieuwe schoenen rustend op de vensterbank. Het onderbroken telefoongesprek blijkbaar op slag vergeten. Ook vanmiddag had hij lang voor dat raam gestaan, bedacht ik nu. Zijn stem was toen gedempt geweest, zijn lachen ingehouden, echter.

“Zeg,” begon hij, “de Alexanderflat, is dat niet die misgeboorte hiertegenover?”

Ik was ook naar het raam gelopen. Het had de hele dag geregend, maar nu klaarde het gelukkig op. Ja, waar te eten vanavond. Ik had nergens gereserveerd.

Aan de overzijde van het kale plantsoen stond op de hoek een tweede galerijflat, een exacte kopie van dit gebouw. Boven het portiek was in dunne letters een naam aangebracht. Ik kon niet lezen wat er stond. Ik had nog magnetronmaaltijden in de diepvries, bedacht ik opeens. Opgewarmde prut op mijn laatste avond in Nederland. Maar nee, verdomme, ik had de magnetron al weggebracht.

Bertje herhaalde zijn vraag: “Die lelijke flat, is dat de Alexanderflat? Pak even de verrekijker.”

Even wist ik zeker dat ik hem al had verbannen naar het vagevuur van de opslagbox, kilometers hiervandaan, maar de verrekijker bleek zelfs nog niet ingepakt. Zonder beschermdoppen lag hij te glinsteren op de keukentafel. Toen ik me weer omdraaide zat Bertje nog steeds onderuitgezakt bij het raam, zijn blik vastgeslagen op de overkant, één hand omhooggestoken, in zekere afwachting.

Terwijl Bertje de verrekijker scherp stelde op de tweelingflat, die zelf ook even verdubbeld in zijn blikveld moest verschijnen, zag ik in de diepte op de parkeerplaats heel duidelijk het gehuurde bestelbusje. We zouden natuurlijk ook gewoon pizza kunnen bestellen.

Ten slotte zwiepten de witte sportschoenen weer op vanuit de vensterbank. Zijn blik nog op de eeuwigheid gericht, overhandigde Bertje me de verrekijker, plotseling verbaasd, leek het, dat ik hier ook nog was.

Hij zou over een uurtje terug zijn.

*

Het was al donker toen ik dacht dat hij alsnog was teruggekomen. Ik had net de kleren naar beneden gebracht en zag rond naar de laatste vergeten spullen, toen ik door de keuken heen opeens een stilstaande figuur gewaarwerd op de galerij. Het bleek de kleine Turk te zijn, de vader van het gezin een paar deuren verderop, die met zijn handen boven zijn ogen tegen het keukenraam aan stond gedrukt, dat zonder vitrage en gordijnen inderdaad wel wat weg had van een etalageruit. Zijn blik zwaaide door het appartement als een politiezoeklicht, maar toen de lichtbaan over mijn eigen duistere gestalte gleed, week hij snel achteruit, of hij geschrokken was hier nog een levend wezen aan te treffen.

Ik liet hem binnen. Hij bleek inderdaad nog wat schrikkerig, heette mij toch van harte welkom op de galerij en stak goedmoedig zijn hand uit om zich voor te stellen.


Houdini

Vandaag was het een feestdag. Men vertoonde
Verschrikkelijke beelden op tv.
Impressies van het land waar je in woonde.
Genoeg. Je schoenen aan. Je moest naar zee.

Je gaf dit land het nakijken vandaag.
Je stappen onderstreepten het idee.
Beantwoording - en vanuit elk café
Dat je passeerde, schetterde de vraag.

O, o gezelligheid - daarginds de zee:
Je zag het water in de branding stijgen…
Geen reddingsboot die je daar uit zou krijgen…
Gelukkig had je wel je zwembroek mee.



Toen werd het zwarter

Toen was het zwart

Toen werd het donker

Eerst was het licht