maandag 19 september 2011

Koffie

Het bureau waar Herman aan zat, maakte deel uit van een sobere, vierdelige kantoorunit. De werkplekken waren geplaatst tegenover elkaar en werden door lage schotten van elkaar gescheiden. Herman zat met zijn rug naar het raam.

Er lag niets op het bureaublad dan een toetsenbord, met daarop zijn handen, en een muis. Het toetsenbord was in geen maanden schoongemaakt, maar toch niet buitenmate vuil. Zijn handen waren klam en enigszins opgezet.


Nog een halfuur, dan kon hij koffie gaan drinken. Dertig minuten: een eeuwigheid zo eindeloos als de stroom cijfers op zijn platte beeldscherm.


De kantoorunit werd slechts gebruikt door twee personen. Alleen hij en Patrick zaten er vandaag te werken. Als hij zich niet bewoog, was Patrick niet te zien. De kolossale beeldschermen ontnamen Herman elke blik op zijn collega. Zolang hij niet bewoog, moest ook hij onzichtbaar zijn.


Het was stil. Patrick zocht vandaag geen conversatie. Ook het zwarte transistorradiootje in de vensterbank maakte geen geluid. Een paar dagen geleden was het zonder aanwijsbare oorzaak kapotgegaan. Er was niemand geweest die het had kunnen maken.


Herman keek weer naar zijn handen. Zijn nagels waren niet lang, maar ook niet erg kort. Nagelbijten deed hij met mate. Hij kon zich niet herinneren zijn nagels de afgelopen weken geknipt te hebben.


Enkele kantoorunits verderop liet een vrouw een scherpe en harde lach horen. Hij kon haar niet zien en niet met zekerheid zeggen wie het geweest was. Niemand reageerde.


Hij keek op zijn horloge. Nog twintig minuten.


Zijn rug deed pijn. Hij duwde zich dieper in de zitting van zijn bureaustoel. Waarschijnlijk had hij al geruime tijd in een verkeerde houding gezeten.


Patrick stond op en liep weg.


Herman greep naar het doosje in zijn broekzak en stak snel een pepermuntje in zijn mond. Het doosje liet hij weer in zijn zak glijden.


Hij staarde voor zich uit. De cursor op het beeldscherm verdeelde de tijd op bedroevend enthousiaste wijze: ook tijdens de pauze zou de cursor blijven knipperen. Een kwartier was nauwelijks genoeg voor een tweede keer koffie. Patrick kwam terug en nam weer plaats aan zijn bureau.


De bureaula was leeg op een perforator, een nietapparaat en een rekenmachine na. Herman schoof de la terug.


In de verte klonk opnieuw gelach. Herman veegde zijn klamme handen af aan zijn broek. Nog tien minuten. Als hij nu vast naar de wc ging, hoefde hij zo dadelijk niet met Patrick naar de kantine te lopen.



vrijdag 9 september 2011

De astroloog

Er was een feestje. Je werd uitgenodigd.
Het onderwerp stond prachtig (o verleiding:
Je zag het en je voelde je genodigd)
In hoofdletters geschreven: “onheilstijding”.

Cadeau vergeten. Als je het niet gedacht had.
Van de weeromstuit zakte ook de naam
Weg van de gastheer. Door een tuimelraam
Bekeek je sterren of je er de wacht had.

En roken maar. Totdat ten langen leste
De dj goddank de grammofoon stopzette.
Je wenste een wildvreemde het allerbeste.
Deed vlug een danspasje toen ze niet oplette.



zondag 4 september 2011

Laura IV

Laura draaide de badkamer op slot, trok in één ruk haar broek en broekje naar beneden en plofte neer op de plompe, met een fris hokjesmotief beschilderde wc-pot.

Niet zo charming, girl, zei ze tegen zichzelf, terwijl haar darmen zich ontlaadden in het klotsende toiletwater. Maar ja, ze had zich weer, truth be told, ongans gegeten aan de kerstkransjes vanmiddag. Feestelijk schijten, dacht ze en ze kreunde bij de gedachte aan de vijfgangenmaaltijd die ze vanavond plichtsgetrouw weer hadden weggewerkt. Gisteren bij Pieter ook al zo'n monster dinner. En dan de chocoladezooi waar zijn moeder om het kwartier mee aan kwam zetten. Of haar kont zo al niet dik genoeg was. Dat werd weer hardlopen in januari, in het Griftpark... Had ze best zin in trouwens. Ze begon te fluiten.

Voor de wastafel waste ze zich en bekeek haar welgevormde, halfnaakte profiel in de spiegel. Pieter bofte maar met zo'n vriendinnetje. De schat. Of schat, waarom eigenlijk was hij een schat? Hij zat in een bandje, dat was cool. Maar verder? Pieter was lief, maar... te nerveus. Of nee, te dun, dat was het. Ja, eigenlijk was ie te ielig, dat was het grote minpunt aan die jongen. Zijn kuiten waren, tja, ze waren er niet, als je eerlijk was. Geen lekkere klapkuiten, zeg maar. Ze hield van klapkuiten. Spieren waren sowieso een pre, als het op jongens aankwam. Maar nee, echt heel gespierd was ie niet, dat vriendje van haar. Meer een slungel, wat dan weer prima bij z'n imago paste als skaterboy, dat wel. Was ie trouwens niet wat te oud voor dat imago? Nog steeds, ook nu met kerst, had ie z'n haren uitgepunt tot spikes, een haarmodedingetje dat toch al jaren uit was. Ach, kon het haar ook rotten. 't Was toch niet voor de eeuwigheid, dat wat zij hadden. Wist ie zelf ook wel. Tenminste, dat hoopte ze dan maar. Laura droogde zich af.

Jep, ze zag er pico bello uit. Kon elke kekke jongen krijgen, en z'n vrienden erbij, als ze zou willen. Als ze maar lief waren.

Pieter was lief.

Ja, Pieter was lief.

Ze checkte haar iPhone of iemand nog iets geinigs had getweet op deze boring Tweede Kerstdag. Dacht aan een gekke tweet om te versturen – ze was een kei in gekke tweets versturen – maar wist even niks en bedacht toen opeens dat ze zich scheren zou vanavond, voor Pieter. Zich een beetje mooi maken voor haar lieve skatervriendje. Het was tenslotte kerst, ja toch niet dan? Een ronduit boring kerst maar goed, als het niet gezellig was, DAN moest je het zelf gezellig maken. Ze begon te gloeien bij de leuke inval die ze toch weer had – en wanneer had ze die niet – trok haar broek en broekje weer naar beneden, deed ze maar gelijk helemaal uit, en zocht toen in het wastafelkastje fluitend naar de ladyshave.

Haar sokken voelden lekker op de spekgladde tegelvloer en ze genoot. Ze had de CD-speler aangezet, die op de hoek stond van het ruime, art-deco ligbad dat haar ouders hadden, en door de badkamer klonk nu Madonna. 't Was een verzamelalbum, dat er nog in zat van toen ze thuis woonde en dat ze gekregen had, ooit, bij een van die superkersten lang geleden, toen ook haar zus nog thuis woonde en Kerstmis nog iets was om lang naar uit te kijken. Het album had ze gekregen van haar zus, bedacht ze opeens, er had nog een geinige surprise bij gezeten: een hele zooi verkleedkleren, zodat ze zich, als een kleine Madonna uitgedost, de longen uit het lijf gezongen had (en de lange benen, ja ja ze mocht er zijn, had moegedanst) op de muziek van haar geliefde teenage idol – Madonna was tijdloos: ze had nog een poster meegebracht naar 't studentenhuis, hing in de keuken boven de gaspitten, vet geworden van de kookluchten natuurlijk, omdat ze nog steeds geen fatsoenlijke afzuigkap gekocht hadden, de lamballen... En terwijl Papa don't preach tegen de glimmende wanden galmde werkte Laura, volwassen geworden inmiddels maar nog steeds een meisje, luidop zingend aan haar bikinilijn, net zolang tot er van een bikinilijn in eigenlijke zin in het geheel geen sprake meer was...

...wat was dat toch, met die kerstdagen tegenwoordig? Sinds haar zus op kamers woonde was de hele sfeer verdwenen – of zij het hoofdingrediënt was van de jaarlijkse gezelligheid, en alle smaak eruit was opgelost nu zij was uitgevlogen... Ze kwam haast nooit meer langs, zelfs niet met kerst, en Laura miste de saamhorigheid die altijd extra was geweest met zulke dagen. Met Jantine kon je tenminste nog een beetje lachen, lol maken in dit dode, met kunstzinnige parafernalia opgedirkte nieuwbouwhuisje... Van haar ouders kon je wat dat betrof ook niets verwachten. Haar moeder dacht alleen maar aan de maaltijden en haar vader, tja, haar vader. Begon een beetje een zuurpruim te worden de laatste jaren. Laura wist niet goed waarom dat was. Of ie een goede beurt miste ofzo... Haha, haar moeder en een goede beurt! Laura lachte hardop. Vanuit de gang hoorde ze Pieter roepen of de badkamer al vrij was en bouncend op het vette Don't tell me droogde ze voor de tweede maal die avond haar dikke, nu in langzame, ja ronduit trage cadans trillende billen af.

In bed dacht ze aan Oud en Nieuw, de lol die ze zou maken met vriendinnen, het kaartje dat nog gescoord moest worden, anders kwam je nergens in, zo ging dat. Ze dacht aan zingen in de kroeg, aan een optreden dat Marloes voor haar geregeld had bij Ledig Erf. Ze dacht aan oefenen, veel oefenen en dan gewoon optreden, het doen, het gewoon echt doen...Ze dacht aan de verslagen die ze nog moest afmaken voordat het nieuwe semester straks van start ging en er weer honderdduizend nieuwe dingen op de planning stonden. Ze dacht aan Pieter, aan z'n maffe kapsel, dat langzaam maar zeker compleet verwoest werd terwijl ze door zijn haren ging en rustig, toen steeds wilder meebewoog, in zijn schouder beet en hem met alle passie die nog nazong van de badkamer langzaam, langzaam en toen zeker weghielp naar een spetterend langdurig kerstorgasme.

En terwijl Pieter zijn zakken naging voor iets-te-hijsen-voor-na-de-seks, hoorde Laura hoe op de badkamer haar vader de voor eeuwig doorzingende Madonna uitzette en toen, met een doffe klik, het licht uitdeed.


zaterdag 3 september 2011

Goudvis

Je kocht een goudvis en een glazen kom,
Wat waterplanten en wat kiezelstenen,
En de verveling leek op slag verdwenen.
Je was tevreden. Ook je goudvis glom.

's Nachts lag je wakker en wist niet waarom.
Maar viel je toch in slaap, dan sliep je diep,
En droomde van gebrul en van gegrom,
Van krijsend gillen en van hees gepiep.

Bezweet werd je weer wakker en je liep,
Als in een droom, recht op je goudvis af.
Hij lag er vredig bij, als in een graf.
Doodstil. Hij leek te wachten tot je sliep.



donderdag 1 september 2011

Bijstandstrekker

Hoeveel bijstandstrekkers kent u? Ik gok niet veel. Mensen op het laagste maatschappelijke level kent u uit de krant, of uit de buurt, maar verder komt u niet. Andere vraag: hoeveel psychose-patiënten kent u? Ik wed maar weinig. Psychose, u kent het woord, u kent het van de verrekijk, wellicht, en daar blijft het bij. Maar dan: hoeveel bijstandstrekkers kent u, die uit de eerste hand weten wat een psychose is, en die bovendien op zoek zijn naar een uitvergrote foto van Hans Wiegel en Frits Bolkestein voor in de huiskamer? Wederom een gok: ik gok niet een.

Ik ben een bijstandstrekker. Dat zit zo (in drie zinnen): nog geen vier maanden geleden studeerde ik in Leiden, had een tamelijk veelbelovende toekomst, een gezonde afkeer van steuntrekkers en werkte aan een iets te ambitieuze masterscriptie; drie maanden geleden was die masterscriptie geïmplodeerd en werd ik, als door een valwind op een zomernamiddag, plotseling overvallen door een psychose die mij nog steeds fulltime aan de medicijnen (godzijdank, overigens, voor medicijnen) heeft en hoe; één maand geleden was ik opeens ernstig ziek geweest, had mijn leven een 180 gemaakt en moest ik voortaan verheugd zijn met een karig enkeltje uitkering en een toekomst die voor alles tamelijk onzeker is. Driewerf klote, zeg maar. Welkom aan de andere kant, dames en heren…

…denk aan uw grondig doorgelichte bagage (BSN + in te leveren bankafschriften = leven) bij het uitstappen en vergeet niet uit te checken – een auto kan ik voorlopig wel op m’n buik schrijven natuurlijk…

Ik ben dus bijstandstrekker. En ik ben VVD-stemmer. Of die twee überhaupt te combineren zijn is even afwachten – tot Griekenland dusdanig naar de klote is dat de PVV voluit kan tweaken met die coalitiestekker – maar tot nu toe huldigde ik het ijzersterke, aloude wie-niet-werkt-die-niet-eet-principe, en werd daarenboven niet moe dat ook te pas en te onpas te verkondigen, jawel…

…wie de bal kaatst, kan een klap verwachten…

Ik ben geen bemiddeld man. Ik heb geen bezitting die noemenswaardig zijn. Ik heb een computer en een smartphone, een boekenverzameling en een bed en daar houdt het wel zo’n beetje op. Ik was altijd gewend om rond te komen van de stufi. Uiteraard had ik een maximale lening – ik zou het de samenleving allemaal dik terugbetalen zodra ik dat vermaledijde papiertje had – dus ik had maandelijks genoeg money to burn – overigens nog bedankt daarvoor. Standaard shoppen bij de Albert Heijn, dat werk. Het beviel me allemaal uitstekend…

Dat is nu anders: Aldi-bezoek is een serieuze optie geworden en nu ik rook (ik rook weer sinds de ziekenhuisopname – een goede vriendin die geneeskunde studeert kwam met de wijze opmerking dat er maar weinigen van de psychiatrische afdeling afkomen die het laten kunnen…) merk ik steeds vaker dat het hijsgenot wordt gefrustreerd door dat geniepige vraagje: kan ik het wel betalen, eigenlijk? Waarschijnlijk niet.

…u moest eens weten hoeveel commentaar ik had, vroeger, op die eeuwige bijstandstrekkers met hun onafscheidelijke pakje shag… Mooi was die tijd, jawel…

Dus hier sta ik dan, terug op de rails, maar op een spoor dat feitelijk nergens heen gaat. Verder studeren wordt mij afgeraden vanwege herhalingsgevaar (een psychose is niet iets dat je graag herhaalt, en na één terugval kun je verder studeren sowieso wel vergeten…) dus ik ga, met enkel vaardigheden in de aanbieding en een medische “geschiedenis”, hup de arbeidsmarkt op. Volgende week het eerste serieuze gesprek met mijn gemeente-consulent, ja ja. Ik weet al wat een jaar lang om kwart voor vijf opstaan inhoudt, om je vervolgens een dag lang in het zweet te werken in het beruchte magazijn van Albert (u weet wel, waar u de boodschapjes bestelt, zo in de loop van de 9 tot 5… handig hoor…) en die gratis fitness heb ik wel gezien inmiddels, dankuwel. Maar ik verwacht, zonder dat ooit zo vanzelfsprekende papiertje, de komende jaren ook geen CEO-aanbiedingen, dat spreekt…

…ik mag dan geen papiertje hebben, ik ga ze niet prikken ook niet. Dan maar de administratie in… Desnoods bij de belastingdienst…

Mijn enige strohalm is dan schrijven. Net als miljoenen andere Nederlanders met een manuscript in de la hoop ik een dezer dagen eindelijk door te breken. Maar: ik heb na die psychose geen zin meer om een uitgever achterna te zitten. Die mag wel naar mij toe komen: luie bijstandstrekker die ik ben, plemp ik dat manuscript, beetje bij teasend beetje, gewoon online, en wel op deze blogspot – komt dat zien, mensen, gratis literatuur, dan leest u ook eens wat…

…check ook NurksMagazine.nl – de New Yorker van de Lage Landen, jawel – op Spek en Bonen. U heeft al betaalt, moet u maar denken…

Zolang ik nog kan schrijven, kan ik mezelf wijsmaken dat ik niet de zoveelste kansarme bijstandstrekker ben. Althans, dat hoop je dan. Bijstand is € 659,93 in de maand, inclusief vakantiegeld.

Tot zover. Bedankt voor uw aandacht. De volgende keer meer over het beruchte uitkeringstraject. Tot die tijd houd ik mij aanbevolen voor een mooie foto van de voorvechters van de beruchte versobering ervan – een beetje een goedkope, dank u.


Een briljant idee

Toen hem werd meegedeeld dat zijn ouders bij een vliegtuigcrash om het leven waren gekomen en het onmiddellijk en zeer duidelijk tot hem doordrong dat hij, zijnde de enige erfgenaam, voortaan voor honderd procent verantwoordelijk zou zijn voor het immense landhuis dat zij bewoond hadden, kreeg Jochem U. een briljant idee: hij zou het huis, dat werkelijk een ode aan de schoonheid was, een historische buitenplaats bovendien, zeventiende-eeuws, en nog onlangs door zijn vader voorgesteld als Nederlandse kandidaat voor de Werelderfgoedlijst, tot op de grond toe afbranden en daarna een reusachtige schadeclaim indienen bij de verzekering. Maar eerst, eerst zou hij het helemaal leeghalen.

*

Jochem U. was achttien jaar. Hij studeerde letteren in Amsterdam en woonde daar sinds een paar maanden op kamers. Dat beviel hem uitstekend, maar niet heus, en nog voordat zijn ouders goed en wel begraven waren had Jochem, zonder nadenken, het bleke studentenleven voorgoed vaarwel gezegd. Hij zegde de huur op en nam direct zijn intrek in het huis dat hem nu toebehoorde. Het huis, overigens, waar hij geboren was.

De begrafenis intussen ging goeddeels aan hem voorbij. Zo vol was hij van het idee de verzekering op te lichten (want dat was uiteraard waar zijn idee op neerkwam: oplichting), dat hij het zelfs tijdens de plechtigheid niet uit zijn hoofd kon zetten. In een afgeladen aula zat Jochem diep in gepeins verzonken op de eerste rij. Af en toe verscheen er een brede grijns op zijn gezicht en stiet hij een harde lach uit. Tijdens zijn toespraak keek hij glunderend de zaal in.

Het was trouwens niet zo dat de dood van zijn ouders hem per se koud liet. Hij had wel een beetje verdriet. Maar dat beetje maakte geen schijn van kans natuurlijk, tegenover zijn briljante idee.

De familie begreep er niets van, was gechoqueerd en verbrak, eensgezind, alle contact.

*

Daar zat hij dan, alleen in zijn landhuis. Afgesloten van de buitenwereld, want: aan drie kanten van het huis lag bos. Als het waaide, hoorde Jochem het ruisen van de hoge eiken, als het windstil was het gefluit van vogels of het geritsel, opmerkelijk dichtbij, van wilde zwijnen. Er was geen menselijke bebouwing zichtbaar vanaf het erf, afgezien dan van de oprijlaan. Als kind was hij die oprijlaan vaak opgereden met zijn kinderfietsje. Waarom? Om te kijken waar hij uit zou komen natuurlijk. Maar altijd was de weg te lang geweest en altijd had de kleine Jochem op het laatst toch rechtsomkeert gemaakt.

Binnen was het landhuis net een museum. De wanden hingen vol met schilderijen uit de Gouden Eeuw en het kon niemand die daar oog voor had ontgaan dat hier over details was nagedacht. Jazeker, iedere plint van het huis was onderdeel van een oorspronkelijk ontwerp. En niet alleen de plinten trouwens, ook meubels, deurknoppen en raamwerk, werkelijk alles was perfect op elkaar afgestemd. Het geheel was dan ook voor een fortuin verzekerd. En als ik nou de onderdelen ook voor een fortuin verkopen kan, zei Jochem bij zichzelf, dan heb ik tweemaal een fortuin. En tweemaal een fortuin, nou ja, dat kon je bijvoorbeeld op de beurs gemakkelijk nog weer verdubbelen.

*

Hij ging meteen aan de slag. Hij kocht een tweedehands bestelwagen en vond meteen al, op een kwakkelend industrieterreintje van een klein dorpje in de buurt, een grote loods waar hij de spullen uit het huis kon opslaan.

Bij navraag echter bleek deze loods helemaal niet te huur. Wel wilde de eigenaar, een bejaarde en mislukte ondernemer die zijn einde voelde naderen, de loods voor een schappelijke prijs aan Jochem overdoen. Zo geschiedde, en vol goede moed begon hij aan de uitvoering van zijn verdorven plan.

Natuurlijk zou de verzekering meteen een onderzoek instellen. Hier had Jochem goed over nagedacht. Om het allemaal zo echt mogelijk te laten lijken, moest hij de spullen die hij weghaalde ook weer vervangen door andere, gelijksoortige spullen. Een stoel van Rietveld, die overigens detoneert met de Gouden Eeuw en die je dus in dat landhuis niet zou hebben aangetroffen, was misschien een klein vermogen waard, tot as verbrand was hij waarschijnlijk niet meer te onderscheiden van de as van een IKEA-stoel – of een stoel voor twee euro gevonden op de rommelmarkt.

En omdat hij tijd genoeg had, was dat precies wat Jochem deed: op de terugweg bezocht hij rommelmarkten en kringloopwinkels om alle spullen die hij op de heenweg weggebracht had opnieuw aan te schaffen – althans, de waardeloze versie ervan. Een goed plan inderdaad, en zo hoefde hij nooit lang te onthouden wat eigenlijk toch allang door iedereen vergeten was. Zelfs van muren en deuren afgesloopte ornamenten werden door hem vervangen: hij zette er oudroest voor in de plaats. Of stukken afvalhout.

*

Het kostte hem maanden, maar ten slotte was het landhuis van zolder tot kelder volgepropt met rommel. Een van de laatste oorspronkelijke dingen die hij nog moest vervangen, was de diamanten kroonluchter in de eetkamer. De kroonluchter was werkelijk gigantisch en had altijd een bijzondere aantrekkingskracht op Jochem uitgeoefend. Als jongetje, eigenlijk bezig met een kleurplaat aan de grote tafel, of ook wel zomaar, als hij zich verveelde, had hij zich regelmatig door de fonkelende diamanten boven zijn hoofd laten betoveren. Later leerde hij dat het licht zo mooi verspreid werd omdat diamanten op een bijzondere manier geslepen werden, een slijpwijze die men ‘briljant’ noemde. Die informatie had de betovering natuurlijk nauwelijks doen afnemen.

Staand op de hoge keukentrap vroeg Jochem zich af hoe hij het gigantische ding eigenlijk van het plafond zou krijgen. Hij aarzelde en heel even bekroop hem het gevoel dat hij zich ergens in zijn plan verschrikkelijk vergist had. Maar het hoefde al niet meer: hij reikte naar een diamant, verloor toen plotseling zijn evenwicht en viel opzij. Hard klapte hij met zijn achterhoofd tegen het hout van de nagemaakte parketvloer, en toen hij niet meer opstond was het een grappig gezicht zoals de lege keukentrap, na even heen en weer gewiebeld te hebben, weer helemaal stilstond in de verder ook bewegingloze eetkamer.

*

Jaren gingen voorbij en nooit werd het huis bezocht. Alleen de dieren uit het bos verloren ten slotte hun argwaan en gingen het huis als onderdeel van hun domein beschouwen. Rommel van binnen ging zwerven, en zo raakten bos en landhuis langzaam maar zeker met elkaar vergroeid.

In de oude loods, hemelsbreed maar zo’n tien kilometer van het huis verwijderd, verrotte intussen even langzaam en even zeker de kostbare inboedel.

*

De brief die Jochems vader had gestuurd naar de Verenigde Naties, met daarin het verzoek zijn huis op de Werelderfgoedlijst te zetten, was uiteraard nooit door iemand beantwoord. Wonderlijk genoeg echter had zijn verzoek uiteindelijk wel de Nederlandse rijksoverheid bereikt en was vervolgens doorgesijpeld naar gemeenteniveau, waar een daartoe aangewezen ambtenaar weer moest beslissen over eventueel toe te wijzen subsidiegeld.

Het was deze gemeenteambtenaar die op een dag verwonderd rond het afgetakelde landhuis stapte. Zich een weg banend door manshoog onkruid en het meest vreemde zwerfafval, bereikte hij de achterzijde van het huis en zag dat de serredeuren er wijd open stonden.

Hij wilde het huis binnengaan, maar voelde dat hij iets vertrapte in het hoge gras. Het gras was zo hoog opgeschoten dat hij bij het lopen zijn handen kon gebruiken om het opzij te duwen. Alsof het landhuis was gezonken in onkruid en hij er nu naartoe gezwommen was, filosofeerde hij. Toen hij keek wat hij vertrapt had en het opraapte bleek het een stuk bot te zijn, dat hij op slag weer uit zijn hand liet vallen.

Hij verspilde zijn tijd hier. Maar na enig rondscharrelen in de serre keerde de ambtenaar toch nog tevreden naar zijn auto terug. Hij had een echte Zippo-aansteker gevonden! Zomaar, op een tafeltje.

Leeg natuurlijk, maar niet getreurd: zulke aanstekers kun je gewoon weer vullen, hoor.


Genade

Geef mij een kat om te aaien, een huis
Om te wonen en dagen te over om alles
Te doen wat ik wil.

Geef mij een dag om te leven, een kluis
Om te legen en ogen geopend om alles
Te zien wat ik wil.

Een lief te behagen en nooit meer te klagen,
Een dag in de lente en alles mag wennen
Zolang jij maar naast me ligt, stil.

Of juist in beweging, je haren een golving
En alles gaat zoals in films.

Geef mij maar een dag, één dag en geloof me
Een dag is al bijna te veel.

Want alles mag wennen, wat zou het, bedrogen
Wordt iedereen toch wel. Ik wil

De liefde bezingen,
Een uurtje beminnen,

Je woorden geloven,
De zon in je ogen,

Verdomme, ik wil
al te veel…