Een briljant idee

Toen hem werd meegedeeld dat zijn ouders bij een vliegtuigcrash om het leven waren gekomen en het onmiddellijk en zeer duidelijk tot hem doordrong dat hij, zijnde de enige erfgenaam, voortaan voor honderd procent verantwoordelijk zou zijn voor het immense landhuis dat zij bewoond hadden, kreeg Jochem U. een briljant idee: hij zou het huis, dat werkelijk een ode aan de schoonheid was, een historische buitenplaats bovendien, zeventiende-eeuws, en nog onlangs door zijn vader voorgesteld als Nederlandse kandidaat voor de Werelderfgoedlijst, tot op de grond toe afbranden en daarna een reusachtige schadeclaim indienen bij de verzekering. Maar eerst, eerst zou hij het helemaal leeghalen.

*

Jochem U. was achttien jaar. Hij studeerde letteren in Amsterdam en woonde daar sinds een paar maanden op kamers. Dat beviel hem uitstekend, maar niet heus, en nog voordat zijn ouders goed en wel begraven waren had Jochem, zonder nadenken, het bleke studentenleven voorgoed vaarwel gezegd. Hij zegde de huur op en nam direct zijn intrek in het huis dat hem nu toebehoorde. Het huis, overigens, waar hij geboren was.

De begrafenis intussen ging goeddeels aan hem voorbij. Zo vol was hij van het idee de verzekering op te lichten (want dat was uiteraard waar zijn idee op neerkwam: oplichting), dat hij het zelfs tijdens de plechtigheid niet uit zijn hoofd kon zetten. In een afgeladen aula zat Jochem diep in gepeins verzonken op de eerste rij. Af en toe verscheen er een brede grijns op zijn gezicht en stiet hij een harde lach uit. Tijdens zijn toespraak keek hij glunderend de zaal in.

Het was trouwens niet zo dat de dood van zijn ouders hem per se koud liet. Hij had wel een beetje verdriet. Maar dat beetje maakte geen schijn van kans natuurlijk, tegenover zijn briljante idee.

De familie begreep er niets van, was gechoqueerd en verbrak, eensgezind, alle contact.

*

Daar zat hij dan, alleen in zijn landhuis. Afgesloten van de buitenwereld, want: aan drie kanten van het huis lag bos. Als het waaide, hoorde Jochem het ruisen van de hoge eiken, als het windstil was het gefluit van vogels of het geritsel, opmerkelijk dichtbij, van wilde zwijnen. Er was geen menselijke bebouwing zichtbaar vanaf het erf, afgezien dan van de oprijlaan. Als kind was hij die oprijlaan vaak opgereden met zijn kinderfietsje. Waarom? Om te kijken waar hij uit zou komen natuurlijk. Maar altijd was de weg te lang geweest en altijd had de kleine Jochem op het laatst toch rechtsomkeert gemaakt.

Binnen was het landhuis net een museum. De wanden hingen vol met schilderijen uit de Gouden Eeuw en het kon niemand die daar oog voor had ontgaan dat hier over details was nagedacht. Jazeker, iedere plint van het huis was onderdeel van een oorspronkelijk ontwerp. En niet alleen de plinten trouwens, ook meubels, deurknoppen en raamwerk, werkelijk alles was perfect op elkaar afgestemd. Het geheel was dan ook voor een fortuin verzekerd. En als ik nou de onderdelen ook voor een fortuin verkopen kan, zei Jochem bij zichzelf, dan heb ik tweemaal een fortuin. En tweemaal een fortuin, nou ja, dat kon je bijvoorbeeld op de beurs gemakkelijk nog weer verdubbelen.

*

Hij ging meteen aan de slag. Hij kocht een tweedehands bestelwagen en vond meteen al, op een kwakkelend industrieterreintje van een klein dorpje in de buurt, een grote loods waar hij de spullen uit het huis kon opslaan.

Bij navraag echter bleek deze loods helemaal niet te huur. Wel wilde de eigenaar, een bejaarde en mislukte ondernemer die zijn einde voelde naderen, de loods voor een schappelijke prijs aan Jochem overdoen. Zo geschiedde, en vol goede moed begon hij aan de uitvoering van zijn verdorven plan.

Natuurlijk zou de verzekering meteen een onderzoek instellen. Hier had Jochem goed over nagedacht. Om het allemaal zo echt mogelijk te laten lijken, moest hij de spullen die hij weghaalde ook weer vervangen door andere, gelijksoortige spullen. Een stoel van Rietveld, die overigens detoneert met de Gouden Eeuw en die je dus in dat landhuis niet zou hebben aangetroffen, was misschien een klein vermogen waard, tot as verbrand was hij waarschijnlijk niet meer te onderscheiden van de as van een IKEA-stoel – of een stoel voor twee euro gevonden op de rommelmarkt.

En omdat hij tijd genoeg had, was dat precies wat Jochem deed: op de terugweg bezocht hij rommelmarkten en kringloopwinkels om alle spullen die hij op de heenweg weggebracht had opnieuw aan te schaffen – althans, de waardeloze versie ervan. Een goed plan inderdaad, en zo hoefde hij nooit lang te onthouden wat eigenlijk toch allang door iedereen vergeten was. Zelfs van muren en deuren afgesloopte ornamenten werden door hem vervangen: hij zette er oudroest voor in de plaats. Of stukken afvalhout.

*

Het kostte hem maanden, maar ten slotte was het landhuis van zolder tot kelder volgepropt met rommel. Een van de laatste oorspronkelijke dingen die hij nog moest vervangen, was de diamanten kroonluchter in de eetkamer. De kroonluchter was werkelijk gigantisch en had altijd een bijzondere aantrekkingskracht op Jochem uitgeoefend. Als jongetje, eigenlijk bezig met een kleurplaat aan de grote tafel, of ook wel zomaar, als hij zich verveelde, had hij zich regelmatig door de fonkelende diamanten boven zijn hoofd laten betoveren. Later leerde hij dat het licht zo mooi verspreid werd omdat diamanten op een bijzondere manier geslepen werden, een slijpwijze die men ‘briljant’ noemde. Die informatie had de betovering natuurlijk nauwelijks doen afnemen.

Staand op de hoge keukentrap vroeg Jochem zich af hoe hij het gigantische ding eigenlijk van het plafond zou krijgen. Hij aarzelde en heel even bekroop hem het gevoel dat hij zich ergens in zijn plan verschrikkelijk vergist had. Maar het hoefde al niet meer: hij reikte naar een diamant, verloor toen plotseling zijn evenwicht en viel opzij. Hard klapte hij met zijn achterhoofd tegen het hout van de nagemaakte parketvloer, en toen hij niet meer opstond was het een grappig gezicht zoals de lege keukentrap, na even heen en weer gewiebeld te hebben, weer helemaal stilstond in de verder ook bewegingloze eetkamer.

*

Jaren gingen voorbij en nooit werd het huis bezocht. Alleen de dieren uit het bos verloren ten slotte hun argwaan en gingen het huis als onderdeel van hun domein beschouwen. Rommel van binnen ging zwerven, en zo raakten bos en landhuis langzaam maar zeker met elkaar vergroeid.

In de oude loods, hemelsbreed maar zo’n tien kilometer van het huis verwijderd, verrotte intussen even langzaam en even zeker de kostbare inboedel.

*

De brief die Jochems vader had gestuurd naar de Verenigde Naties, met daarin het verzoek zijn huis op de Werelderfgoedlijst te zetten, was uiteraard nooit door iemand beantwoord. Wonderlijk genoeg echter had zijn verzoek uiteindelijk wel de Nederlandse rijksoverheid bereikt en was vervolgens doorgesijpeld naar gemeenteniveau, waar een daartoe aangewezen ambtenaar weer moest beslissen over eventueel toe te wijzen subsidiegeld.

Het was deze gemeenteambtenaar die op een dag verwonderd rond het afgetakelde landhuis stapte. Zich een weg banend door manshoog onkruid en het meest vreemde zwerfafval, bereikte hij de achterzijde van het huis en zag dat de serredeuren er wijd open stonden.

Hij wilde het huis binnengaan, maar voelde dat hij iets vertrapte in het hoge gras. Het gras was zo hoog opgeschoten dat hij bij het lopen zijn handen kon gebruiken om het opzij te duwen. Alsof het landhuis was gezonken in onkruid en hij er nu naartoe gezwommen was, filosofeerde hij. Toen hij keek wat hij vertrapt had en het opraapte bleek het een stuk bot te zijn, dat hij op slag weer uit zijn hand liet vallen.

Hij verspilde zijn tijd hier. Maar na enig rondscharrelen in de serre keerde de ambtenaar toch nog tevreden naar zijn auto terug. Hij had een echte Zippo-aansteker gevonden! Zomaar, op een tafeltje.

Leeg natuurlijk, maar niet getreurd: zulke aanstekers kun je gewoon weer vullen, hoor.